Irsai Olivér
Irsai Olivér is een Hongaarse witte druif uit 1930, gemaakt door de kweker Pál Kocsis als kruising van twee tafeldruiven. Hij was bedoeld om te eten, niet om wijn van te maken — en dat proef je nog: de geur is die van een rijpe muskaatdruif, ronduit parfumachtig.
Wat de wijn verrassend maakt, is dat die geur niet gepaard gaat met zoetheid. Irsai Olivér wordt vrijwel altijd kurkdroog gemaakt. Je ruikt rozen en muskaat en verwacht een zoete wijn; wat volgt is fris en droog. Dat contrast is precies zijn charme.
Wat voor een wijn is Irsai Olivér?
Bleek strogeel, licht van body, met frisse zuren en een laag tot gemiddeld alcoholgehalte — meestal 11 tot 12,5 procent.
Geur: muskaat voorop, met rozenblaadjes, vlierbloesem, witte perzik, limoen en een vleug groene kruiden. Dit is een van de geuriger witte druiven die er zijn, in dezelfde familie als Muscat.
Smaak: droog, licht en sappig, met een korte, frisse afdronk. Geen complexiteit, geen hout, geen pretenties — het is een wijn om te drinken, niet om te bestuderen. De Lellei Irsai Olivér is er een goed voorbeeld van, en zit ook in de blend Garamvári Arany Birtokbor van het Balatonmeer.
Zoek je dezelfde parfumachtige geur maar dan voller en met meer alcohol, dan is Gewürztraminer de druif. Irsai Olivér is de lichte, frisse variant.
Irsai Olivér serveren en combineren
Temperatuur: 8 tot 10 graden, goed gekoeld. Dit is bij uitstek een terraswijn.
Bewaren: drink hem jong, binnen een tot twee jaar. De geur is alles bij deze druif en die vervliegt.
Eten: licht en aromatisch, dus houd het gerecht in dezelfde richting.
- Als aperitief — waarschijnlijk zijn beste rol.
- Salades met fruit, geitenkaas of verse kruiden.
- Gerookte vis, garnalen, sushi.
- Licht gekruide Aziatische gerechten met limoen, koriander of munt.
- Verse geitenkaas en zachte kazen.
Niet bij zware of romige gerechten: daar verdwijnt de wijn achter. Het Hongaarse aanbod staat bij Hongaarse wijn en witte wijn uit Hongarije.
Veelgestelde vragen over Irsai Olivér
De geur is muskaat, rozenblaadjes, vlierbloesem, witte perzik en limoen. De smaak is droog, licht en fris — het contrast tussen de zoete geur en de droge smaak is kenmerkend voor de druif.
Nee, vrijwel altijd kurkdroog. Dat hij zoet ruikt komt door de muskaatgeur, niet door restsuiker.
Uit Hongarije. De druif werd in 1930 gekweekt door Pál Kocsis als kruising van twee tafeldruiven, oorspronkelijk bedoeld om te eten. Hij wordt vooral rond het Balatonmeer en in Zuid-Hongarije aangeplant.
Als aperitief, bij salades met fruit of geitenkaas, gerookte vis, sushi en licht gekruide Aziatische gerechten. Niet bij zware of romige gerechten, daar verdwijnt hij achter.
Drink hem jong, binnen een tot twee jaar na de oogst. De parfumachtige geur is zijn kracht en die vervliegt met de jaren.
In de geur wel — allebei ruiken ze parfumachtig naar rozen en exotisch fruit. Maar Gewürztraminer is veel voller, met meer alcohol en minder zuur, terwijl Irsai Olivér licht en fris blijft. Zie Gewürztraminer.